Uitleg
Bij het electrolitisch scheiden van water onstaan de volgende elementen bij de volgende elektroden:
Zuurstof (0) bij positieve elektrode (P) en heet een Anode (A)
Waterstof (H) bij negatieve elektrode (N) en heet Kathode (K)
Bij het electrolitisch scheiden van water onstaan de volgende elementen bij de volgende elektroden:
Zuurstof (0) bij positieve elektrode (P) en heet een Anode (A)
Waterstof (H) bij negatieve elektrode (N) en heet Kathode (K)
Als een stof geoxideert wordt, gaan er electronen weg. Bij reductie krijgt de stof er juist electronen bij.
in een Cel reageert aan de Negatieve elektrode een Reductor.
in een Cel reageert aan de Positieve elektrode een Oxidator.
Bij een Elektrolyse is het net andersom. Dus bij de Pos. elektrode een Reductor en bij de Neg. elektrode een Oxidator.
K=Kalium, Na=natrium, Ba=barium, Ca=calcium, Mg=magnesium, Al=aluminium, Zn=zink, Fe=ijzer, Sn=tin, Pb=lood. Dit zijn alle metalen en die anderen niet
de metalen:
kalium, calcium, natrium, magnesium, aluminium, zink, ijzer, tin, lood, koper, kwik, zilver, platina en goud
gerangschikt van zeer onedel naar edel
Dit zijn de elementen 2 tot en met 18 van het periodiek systeem.
He=Helium Li=Lithium Be=Berilium B=Boor C=koolstof N=Stikstof O=zuurstof F=fluor Ne= Neon Na=Natrium Mg=Magnesium Al=Aluminium Si=Silicium P=Fosfor(Phosfor) S=Zwavel(Sulver) Cl=Chloor Ar=Argon
Dit kun je onthouden door te denken aan de lengte van de dagen: In de warme zomer zijn de dagen lang (ze zetten uit), in de koude winter zijn ze kort.
Copyright © 2001-2012 · Ezelsbrug.nl